Interview met Ad van Meurs
Ad van Meurs uit Eindhoven zit tot over zijn oren in de muziek. Met de interculturele band No Blues heeft hij internationaal succes. Optredens vinden over de hele wereld plaats. Daarnaast is hij al 22 jaar actief als The Watchman. Ook is dit drukke baasje nog in de weer met een derde band, de Folk Survival Club, een trio met twee dames.
Ad van Meurs: veroordeeld om levenslang muzikant te zijn
Door Sjoerd Punter
Foto’s: Ronald Rietman
De sneeuw kwam ongeveer tot de enkels, maar toch leek er een nieuwe ijstijd aangebroken. Het ene na het andere weeralarm werd de wereld ingestuurd, treinen veranderden in nutteloos ijzer, vliegtuigen bleven aan de grond. Blijf thuis was de boodschap, en dat deden de mensen ook. Met uitzondering van één man. “Allemaal onzin”, besloot Ad ‘the Watchman’ van Meurs. “Apocalyptische prietpraat dat je de weg niet opmag. We zijn in Nederland veel te teerhartig aan het worden. Fuck them”. Dus stapte hij in de auto en reed/gleed van Eindhoven naar Groningen, waar hij met zijn band No Blues stond geboekt voor een optreden in de Oosterpoort. Geen enkel probleem voor Van Meurs. Hij heeft in zijn lange muzikantenleven wel voor hetere vuren gestaan. “Man, we reden door Oklahoma en daar wil het echt waaien. Dan komen er van die slurfjes langs. En dat hebben we ook overleefd. Weeralarm in Amerika is iets heel anders dan hier. Dan heb je het over een meter sneeuw of meer.”
Biologieleraar
De Volkskrant noemde de Eindhovense muzikant ooit ‘de beste singer-songwriter van de Lage Landen”, wat hij ongetwijfeld is, maar hij is meer dan dat, deze man met het uiterlijk van een in het vak vergrijsde biologieleraar die te weinig buiten komt. Van Meurs maakt niet alleen muziek, en dat al minstens veertig jaar, hij zorgt er ook voor dat goede muzikanten aan de bak komen. Vele jaren organiseerde hij optredens in het Zuid-Brabantse kroegencircuit, soms wel op vijf verschillende plaatsen in een week. Sinds een paar jaar is hij programmeur van Ad van Meurs Presenteert in de Eindhovense cultuurtempel Frits Philips. De luxueuze ambiance met een bijzonder goed geluid verbijstert de Amerikaanse artiesten die hier langs komen keer op keer. Het feit dat er ook een goed gestemde vleugel op het podium staat, maakt het allemaal nog mooier. Veel tournees van Amerikaanse singer-songwriters worden in de muziekclub van Ad van Meurs afgesloten. “Ik heb altijd gedroomd van een folkclub zoals je die zag in oude films, met tafeltjes en stoeltjes, een soort nachtclub waar drankjes geserveerd worden en waar je het gevoel hebt deel uit te maken van een geheime bijeenkomst.” Geheim zijn die bijeenkomsten overigens al lang niet meer: bijna iedere maandagavond is uitverkocht. Het mooiste optreden van de laatste tijd was volgens Van Meurs dat van Danny Schmidt. “Wat een geweldig artiest is dat! Een echte schrijver ook, met prachtige teksten. Lynn Miles vond ik ook fantastisch.” Het enige minpuntje is dat in de plaatselijke krant hier nimmer recensies over verschijnen.
Nette stropdas
Ad van Meurs groeide in het Brabantse dorp Gemert op in een gezin waar ze van zingen en dansen hielden. “Mijn moeder was er eentje van het oude stempel. Die vond het maar niks als er in huis geen piano stond”, herinnert Van Meurs zich. “Ik was een nakomeling, had drie zusjes boven mij. Ik had het gevoel dat ik heel erg mijn best moest doen om ergens bij te horen. Dus was ik heel fanatiek op blokfluit- en pianoles. Gemert was een speciaal dorp. Van oudsher was het een soort piratennest. Allerlei gespuis, op de vlucht voor justitie, kwam naar Gemert, dat vroeger een Duitse Heerlijkheid was. Tot in de negentiende eeuw viel het niet onder de Nederlandse jurisdictie. In Gemert wonen nog steeds bovengemiddeld veel kunstenaars. Af en toe gebeurt er een rare moord.”
De vriendjes van de oudere zusters van Van Meurs brachten platen mee die in die tijd populair waren, zoals van de Dutch Swing College Band en Pete Seeger. “Mijn muzikale leven begon met dixieland. Algauw zat ik achter de piano in een dixielandbandje, voorzien van een nette stropdas en colbert. Mijn tweede bandje was een jug- en bluesband. We gingen veel kijken in Antwerpen, waar mensen als Ramblin’ Jack Elliott en Daryl Adams optraden. Kijken hoe het moest. Achteraf bekeken moet mijn liefde voor de Amerikaanse rootsmuziek daar zijn begonnen, al besefte je dat als twintigjarige niet. Je hobbelde maar wat mee. Ik zat nog steeds achter de piano, maar vond dat erg saai en suf. De wereld was opwindend en ik zat daar maar achter die piano. Wat ik wilde was gitaarspelen. Toen de punk langskwam, was dat voor mij een enorme bevrijding. Ik zette de piano aan de kant en kocht meteen een gitaar. Drie akkoorden leren, en je kon aan de slag. Gaf allemaal niks. Toen later de new wave kwam, moest je je muzikale bagage zelfs verbergen, want dat was niet cool.”
Gekkenhuis
Van Meurs studeerde na het gymnasium een half jaar filosofie in Nijmegen, maar dat was geen succes. Te moeilijk. “Ik ben nog een tijdje psychiatrische verpleger geweest. Willem van Kruysdijk van Slagerij Van Kampen werkte ook in het gekkengesticht, net als andere goedwillende hippietypes die hun sociale bewogenheid wilden vergulden. Toon Bressers, later van Nasmak, woonde in een kippenkooi. Mijn vriendin en ik hadden een varkensstal als onderkomen. Natuurlijk was iedereen afgekeurd voor militaire dienst. Allemaal S5. Halverwege de jaren zeventig ging ik spelen in de folkband Deirdre, een echt goede band uit Helmond. In die tijd ontdekte ik ook de uitkering. Dat maakte het allemaal een stuk makkelijker. Iedereen die ik kende had een uitkering. In die tijd merkte ik ook dat ik goed de telefoon ter hand kon nemen om optredens te regelen. Een bandje is niet alleen muziek maken, je moet er ook zijn. Na twee jaar optreden kwam de eerste en enige plaat van Deirdre uit, een heel mooie plaat die nog steeds goed is. Het einde kwam toen de zangeres in een huifkar naar Frankrijk vertrok. Onderweg moest ze uit armoe haar pony opeten…” Daarmee kwam voor Ad van Meurs voorlopig een eind aan zijn activiteiten in de folkmuziek. “In die dagen was het toch wel een erg stoffig en wereldvreemd genre.”
Opwindende tijd
Inmiddels was in Engeland Johnny Rotten, zwaar op de speed, bezig met iets geheel nieuws: de punk. Een eye opener voor Van Meurs. “Wham! Wat een opwindende tijd was dat. Ik woonde inmiddels in de grote stad. Zat iedere dag in het café. Iedereen had een mening over van alles en nog wat. Alles raakte in een stroomversnelling. De snoeppot ging ook open. Toen heb ik de gitaar ter hand genomen. Begon liedjes te schrijven. Dat waren geen liefdesgedichtjes waarin je de naam van de geliefde niet durft te noemen. Dus niet dat spul à la Ramses Shaffy. Ik was ontzettend gedreven. Werd gitarist in een punkrockbandje dat Bleistift heette. Vervolgens belandde ik in de new wave en in een bandje dat W.A.T. heette. We hadden behoorlijk succes. Alles moest zoveel mogelijk monotoon zijn. Ik kreeg te horen dat een refrein helemaal uit de tijd was. Daar werd heftig over gediscussieerd. Het ‘juiste’ geluid van de snare drum lokte ook enorme discussies uit. Daar werd een week over gepraat! Maar niemand had het over de muziek, of over zeggingskracht. Een heel rare tijd, maar er werd wel definitief afgerekend met de gezapigheid in de muziek. Eigenlijk ging het helemaal niet over de muziek, maar over iets anders. In die tijd kreeg ik ook mijn eerste kind. De eerste maanden ging ze in een reisweg mee naar optredens. In die reiswieg lag ook ons koude bier. Algauw werd me duidelijk dat dit niet te combineren was met muziek. Ik heb toen een stap teruggezet. Gelukkig maar.”
Hard folk
Van Meurs kon echter niet stil blijven zitten, en zo ontstond het concept van The Watchman, dat het nog steeds goed doet. “Ik heb als The Watchman elf albums gemaakt. Aanvankelijk speelde ik alleen met een ritmebox. Later kwam er een bassist bij en werden de teksten steeds belangrijker. Het debuutalbum werd geproduceerd door Joe Boyd, een bekende naam in de States. Hij zag mij wel zitten. Billboard riep het album uit tot Critic’s Choice. We verkochten daar meteen 10.000 albums. In Nederland haalden we hooguit 2000. Maar hoeveel we precies verkocht hebben, weet ik niet. Net als veel andere mensen werden we regelmatig bedrogen, kregen we niets of te weinig betaald. Ik vond het succes in Amerika een beetje raar. Het concept was beter dan ik: een rare opgefokte hippie met een ritmebox. Ze noemden het hard folk. Die term is ontstaan na een concertje waar ik optrad met een vinger die een uur eerder tussen de deur van een taxi beklemd had gezeten. Een pijnlijke zaak. Af en toe liet ik tijdens het optreden een kreet van pijn los… Ik ben natuurlijk geen gewone zanger. Zelf vind ik mij niet goed zingen. Kan ook niet. Ik heb emfyseem in beide longen. Die zitten vastgeplakt. Maar toch houden veel mensen van mijn manier van zingen.”
Townes Van Zandt
Van Meurs reist regelmatig naar Amerika. Voor optredens en ook om talent te scouten. “Ik heb daar veel opgestoken. De schellen zijn van mijn ogen gevallen toen ik zag hoe muzikanten daar hun zaakjes aanpakken. Voor het eerst mocht ik de hoofdrol in mijn eigen leven spelen. Dat was een fantastisch gevoel. Het stimuleerde mij om veel harder te gaan werken. In 1993 begon ik met organiseren van optredens. Zo heb ik een uitgebreid netwerk kunnen opbouwen, waar ik nog steeds veel aan heb. In die tijd heb ik ook een aantal concerten met Townes Van Zandt gedaan. En die was weer bevriend met Jack Clement, die vervolgens het derde album van The Watchman produceerde. In oktober vorig jaar hebben we met de Folk Survival Club een mini-cd met zes songs opgenomen in Nashville. Die is ook geproduceerd door Jack Clement. Ik weet nog niet wanneer die cd uitkomt.”
De twee andere bands waarmee Van Meurs tourt, zijn de Folk Survival Club en het immens populaire No Blues. “Het fijnst om te doen vind ik de Folk Survival Club. Dan kan ik mijn eigen liedjes spelen, samen met mijn vrouw Ankie Keultjes en Marjan Corneille. Soms word ik echt moe van mijn eigen ego, maar met die meisjes erbij is het anders. Ik durf nu ook sentimenteel te zijn. Wat dat betreft hou ik van Paul McCartney. Gelukkig ben ik van dat machogedoe af. Het is weldadig om met de dames te spelen. We treden niet te vaak op, zo’n twintig keer per jaar. Elke keer weer is het een feest.” Vorig jaar kwam het eerste album uit van de Folk Survival Club, ‘Break Of Dawn’, met een aantal prachtige nummers.
Arabicana
“Een heel ander verhaal is No Blues”, aldus Van Meurs. “Er zit een professionele organisatie achter, het Productiehuis Oost-Nederland. De zaken worden voortvarend aangepakt. Als ik duizend affiches nodig heb, hoef ik maar met de vingers te knippen. We hebben inmiddels drie cd’s gemaakt. Dit jaar komt er weer een uit. Ze noemen deze muziek wel ‘arabicana’ omdat er geopereerd wordt in het niemandsland tussen de Amerikaanse en de Arabische muziekcultuur. Het is echt een democratische band. Ik ben slechts eenderde van het geheel. De andere twee zijn Haytham Safia (een christelijke Palestijnse Arabier die in Israël woont) en de bassist Anne Maarten van Heuvelen. Het is een unieke band. Als dit uit elkaar valt, krijg je nooit meer zoiets.”
Met No Blues reist Van Meurs de hele wereld af. Hij was in Mexico toen daar de grieppandemie met veel publiciteit omringd van start ging. Het festival waar No Blues zou optreden werd afgelast. Van Meurs had geen last van de griep, maar bracht wel zeven dagen door op een hotel-wc nadat hij was geveld door salmonellabacteriën.
Een andere activiteit in 2009 was de film ‘Searchin’ For The Heart Of The Heartland’, het verslag van een muzikale reis van Ad van Meurs en Ankie Keultjes door Oklahoma. Op de Nederlande tv is de door Dré Didderiëns geregisseerde film al te zien geweest. Er wordt nu gewerkt aan een Duitse versie. “Ik ben heel content met die film. Hij geeft goed de wereld weer die bij de folkscene hoort. Het gaat over mensen die nooit optreden voor uitverkochte grote zalen. Deze mensen spelen allemaal voor een habbekrats, maar ze zijn wel heel consequent. Als ik daar in Oklahoma ben, heb ik het gevoel dat mijn leven klopt en dat ik op de juiste plaats ben. Natuurlijk ben ik een super-Europeaan, veel te soft om een echte Amerikaan te kunnen zijn. Maar eigenlijk is Oklahoma hetzelfde als de Peel. Een heerlijk ouderwets landschap. Je rijdt door een gelegitimeerd soort vroeger.”
Belasting
Dit jaar gaat er weer van alles gebeuren. “Ik heb een trits nieuwe nummers liggen voor een nieuw album van The Watchman. Ik schrijf niet makkelijk, maar ik schrijf wel altijd. Het begint met eindeloos pielen op de bank. Soms duurt een liedje een jaar. Als iets snel komt, wantrouw ik dat niet meer. Vroeger wel. Ik schrijf graag in Oostende. Heerlijke sfeer daar. Diverse nummers van het album van de Folk Survival Club zijn daar ontstaan. De titel van het nieuwe album is ‘Bright Lights’. Voor de hoes wil ik een fantastische tekening gebruiken van de Lichttoren van Philips in Eindhoven. Er staat van alles op: folkliedjes, groovy songs, open dingetjes. Ik ga alles opnemen en zie wel wat er van komt. Uiteraard komt er ook een nieuw album van No Blues uit. En verder ben ik van plan achter mijn huis een studio te bouwen.”
Al met al maakt Ad van Meurs een bijzonder tevreden indruk. Lachend: “Ik heb iets bereikt wat voor de meeste muzikanten onbereikbaar is: ik betaal namelijk belasting.”








Leuke bijkomstigheid van ‘Searchin’ For The Heart Of The Heartland’ is dat David Munyon deze DVD opluistert met zijn aanwezigheid. Wellicht een extra argument om deze film eens te gaan bekijken.