RSS

De Man Die Een Mol Wilde Zijn

 

 

Ik ontdekte de blues op een zoldertje boven bloemkolen, appels en peren. Mijn vriend Henk Kooi, zoon van een Groningse groenteboer, had daar een mono-geluidsinstallatie staan. Naar hedendaagse normen klonk het geluid tamelijk wrak. We zaten op dat zoldertje regelmatig te luisteren naar nieuw vinyl. Op een goede dag kwam Henk aanzetten  met de registratie van het American Folk Blues Festival 1962. Dat was een aangename verrassing, iets heel anders dan de muziek die doorgaans uit de radio kwam. Voor het eerst hoorden we Memphis Slim, John Lee Hooker, T-Bone Walker en Brownie McGhee. De bluesmannen  brachten muziek die diep van binnen kwam, muziek waarvan je voelde dat die ertoe deed. We waren meteen om. Niet veel later hoorden we dat er in Assen ook zulke elementaire muziek werd gemaakt. Drentse blues van Cuby & the Blizzards. We hadden in de krant een foto gezien van de zanger. Uiteraard zwart-wit. Alles was zwart-wit in die dagen. De zanger had het uiterlijk van iemand die uit een concentratiekamp was ontsnapt. Het leven was voor hem geen pretje. Dat zag je zo. We namen de trein naar Assen. Retour 1,80. Van het station liepen we naar Boele Geerts, de zaal waar Cuby & The Blizzards zouden optreden. Het was zeer rustig op straat. Geen kip te zien. Zaten de mensen soms allemaal in Boele Geerts? Dat bleek niet zo te zijn. De zaal was weliswaar aangenaam gevuld, maar er konden nog best wel wat mensen bij. De rest van de avond ging als in een droom voorbij. We zagen een zanger met een rauw, diep doorleefd geluid, die af en toe oerkreten losliet. Daarnaast opereerde een verfijnde stilist met een gitaar die hij smartelijk liet kreunen. We kwamen algauw tot de conclusie dat hier een magisch duo stond. Voortaan gingen we naar ieder optreden van Cuby & The Blizzards bij ons in de buurt. We bezochten Harry ook op in z’n kamer aan de Collardslaan in de schaduw van de Jozefkerk. Volgens mij droeg hij in die tijd nog een houtje-touwtjejas.

In 1965 kwam de eerste single uit. ‘Stumble And Fall’ klonk alsof het plaatje in een badkamer was opgenomen met een microfoon waar een draadje in loszat, behoorlijk beroerd dus. Het magische duo reisde persoonlijk naar Groningen om in Adam Appel, een verzamelpunt van ‘artistiekelingen’, het plaatje te laten horen. Een jaar later las ik dat Eelco Gelling was ontslagen als fotograaf van de Drentse en Asser Courant omdat zijn haar te lang was. Harry Muskee, die daar werkte als corrector, was solidair en nam ook ontslag. Niet veel later hoorde ik dat de Drentse en Asser Courant een  leerling-journalist zocht. Dat was mijn kans om te penetreren. Ik stopte met studeren, meldde me aan en werd aangenomen. Binnen een jaar had ik langer haar dan Eelco Gelling ooit had gehad. De tijden waren duidelijk aan het veranderen. Daar kon directeur Diemel, een man met een permanente alcoholkegel en sigarenas op de revers, niets aan veranderen. In diezelfde tijd kwam ‘Desolation’ uit, het eerste album van Cuby & The Blizzards. Het was heel wat beter opgenomen dan het eerste singletje. Deze keer een prima sound. Het nummer ‘Ginhouse Blues’ was voor mij het beste nummer van dit album, huiveringwekkend goed. Harry Muskee gaf in dit nummer alles en braakte verdriet en wanhoop uit: ‘Stay away from me everybody’. Ook nu klinkt dit nummer nog even authentiek als toen ik het voor het eerst hoorde. Met ‘Window Of My Eyes’ het artistieke hoogtepunt van het magische duo.

In de jaren die volgden leerde ik Harry en Eelco beter kennen. Het waren zeer uiteenlopende types. Harry was een impulsieve binnenvetter, een man die net als het Nederlandse weer van het ene op het andere moment kon veranderen. Zijn gedrag was onvoorspelbaar. Hij zag zichzelf graag als een loner, eenzaam dwalend over de hei, een Drent onder de Drenten. Kwam over als een ietwat onhandige plattelandsjongen, terwijl hij toch het grootste deel van zijn leven doorbracht in de stad. Hij vertelde mij eens dat hij er niet zo van hield om mensen om zich heen te hebben. “Alles wat niet nodig is moet weg. Ik beperk de omgang met andere mensen het liefst tot een minimum.” Dat klinkt als romantische weltschmerz, maar toen Harry in 1972 helemaal aan de grond zat en bij mij kwam wonen, bleek hij toch wel degelijk behoefte aan gezelschap te hebben. Hij deed ook helemaal niet moeilijk, stelde zich sociaal op. Na een jaar bij mij gebivakkeerd te hebben, verdween hij zomaar. Een half jaar hoorde ik helemaal niets. De kamer van Harry had ik inmiddels ontruimd, want het rook daar niet fris. Harry had zijn beddengoed namelijk nooit ververst. Op een avond stond hij opeens weer voor de deur. Gaf geen verklaring voor zijn afwezigheid. Hij keek vreemd op toen hij zag dat zijn kamer was ontruimd. Woest draaide hij zich om. Toch reisde diezelfde Harry in 2001 naar Eindhoven om mijn verhalenbundel ‘De geur van verse mango’s’ te presenteren. Zo was hij ook: op een vreemde manier toch trouw. Eelco was heel anders. Toen ik uit Assen was vertrokken en weer in Groningen woonde, kwam ik regelmatig over en logeerde dan bij hem.  Eelco was een goed gastheer. Rond een uur of twee ’s middags maakte hij een lekker ontbijtje klaar en nam daarna terstond de gitaar ter hand terwijl de middag langzaam voorbij dreef. Je moest er niet vreemd van opkijken dat er een tropisch vogeltje door de kamer vloog. Eelco was namelijk van mening dat een kooi een open deurtje moest hebben. Misschien zag hij zijn eigen leven ook wel zo: als een soort gevangene die af en toe moest ontsnappen. En dat deed hij dan ook met verve. Ik belandde eens met hem in Nijmegen. Hoe dat precies kwam, weet ik niet meer, maar het had met groupies te maken. Na een dag hield ik het voor gezien. Een paar dagen later belde Ria, de vrouw van Eelco, mij op. Of ik wist waar hij was? Nee, dat wist ik niet. Toen Eelco al een week spoorloos was, belde Ria opnieuw op. Ze was thans erg ongerust. Ik heb haar toen verteld hoe het zat. Ze wist meteen bij welke groupie Eelco was ondergedoken. “Dat wijf  ken ik. Ze is een keer ’s nachts bij ons binnengedrongen en stond zomaar voor ons bed”, vertelde ze. Eelco was zeker niet het gehoorzaamste jongentje van de klas. Hij reed, net als Harry, rond zonder rijbewijs. Op een avond stond de politie voor de deur. Wat bleek? Eelco had de avond ervoor een flobertgeweer uitgeprobeerd en schot gelost dat bij de overburen door het raam was gegaan. Op de een of andere manier leverde dat in Assen geen probleem op. Eelco kon natuurlijk ook heel goed onschuldig kijken. Hij was een man om van te houden.

In de tijd dat Harry bij mij kwam wonen, lag de band behoorlijk op zijn gat. Op een gegeven moment kwam Rob Hoeke in beeld, de boogiewoogiepianist met de razendsnelle vingers. Ik reisde met Harry naar Haarlem om hem te ontmoeten. We kwamen terecht bij Barry Zand Scholten, een sportjournalist van de Telegraaf, die de pot met peppillen bewaakte waar Rob Hoeke, een echte speedfreak, op was aangewezen. Hij kreeg de pillen van de apotheek, maar kon niet zo goed doseren. Vandaar dat die pot ergens anders stond. Rob was een man die van opschieten hield. Hij ergerde zich dood aan het indolente gedrag van Harry en Eelco. Hij vluchtte regelmatig naar zijn auto, waar hij een kortegolfzender had en contacten legde met zendamateurs over de hele wereld. Ik maakte hem een keer mee buiten de stad waar de rust regeerde. Rob drukte de handen tegen zijn oren. “Verdomme, Ik kan niet tegen stilte”, verduidelijkte hij.  “Dat doet zeer aan mijn oren.” Ik vond het jammer dat Red, White & Blue op niets uitdraaide. Teleurgesteld droop Rob Hoeke al vrij snel af. Ik heb hem nooit meer teruggezien.

In 1978 vertrok ik naar Brabant om bij een grote krantencombinatie te gaan werken als journalist. In tegenstelling tot de situatie bij de Drentse & Asser Courant, waar een uitstapje naar de stad Groningen bijna als een wereldreis werd gezien, kon in Eindhoven bijna alles. Concert bekijken in Brussel of in Hamburg, geen probleem. Jozef Luns interviewen? Ga er maar heen. Maar toen ik voorstelde om Gadaffi op te zoeken, keken ze toch wel een beetje vreemd. In 1988 besloot ik voor de bladen Harry te interviewen. Er was al een tijd weinig van hem vernomen. Het was volop winter, een verlammend koude wind woei rond de flat waar Harry op de zesde verdieping woonde. Ik wist dat  Mariska, zijn vrouw, er met de gitarist van de band vandoor was. Erg goed kon zijn stemming dus niet zijn, maar hij wilde daar absoluut niet over praten. “Somebody stole my baby, but they can’t steal your best baby away because that’s the blues”, citeerde hij zichzelf. De woonkamer leek op een harem zonder vrouwen, geen stoelen maar kussens op de vloer. Harry vertelde dat hij in een ligperiode terecht was gekomen. “Vooral nu het winter is, heb ik de neiging als een mol in een holletje te kruipen en daar niet meer uit te komen. Af en toe wandel ik met de hond rond de flat en dat is het dan wel.” Het was duidelijk dat de carrière van Harry Muskee weer eens op een dood spoor zat. “Er worden nog wel platen van mij uitgebracht, maar die kun je alleen op zorgvuldig geheim gehouden plaatsen aanschaffen”, zei hij bitter. “Als ik optreed, zeg ik wel eens: dit is nummer van onze nieuwe elpee, en ren naar de winkel want het is nu al een collector’s item.” Natuurlijk kwam het daarna wel weer goed.

Het zou tot 2006 duren voordat ik Harry terugzag tijdens de presentatie van een boek over de popmuziek in Drente. Harry nam het boek in ontvangst, stak zijn hand op naar mij en ging er snel vandoor. Toen ik ’s nachts terugreed naar Eindhoven, starend naar verlaten wegen, bekroop me het gevoel dat ik Harry Muskee nooit meer terug zou zien. Toch was ik verrast toen ik in de zomer van 2011 hoorde dat hij leverkanker had. Binnen een paar maanden was het bekeken. Een grootscheeps afscheid in Grollo volgde. Honderden mensen waren gekomen om afscheid te nemen van de man die wilde leven als een mol. Ik herinnerde me een uitspraak van hem. “Ik ga ermee door tot ik erbij neerval. Desnoods stap ik helemaal gecomputeriseerd het podium op. Misschien kan het zo geregeld worden  dat de apparatuur op het podium staat en ik vanuit de kleedkamer met een glas whisky naast me tot jullie kom.” Jammer dat het anders moest aflopen.

Tekst en foto’s Sjoerd Punter

 


2 Comments Add Yours ↓

  1. Bert Jippes #
    1

    Uitstekend verhaal Sjoerd en met nog voor mij onbekende feiten.

  2. Jille #
    2

    Ja ja, ‘t is wat die blues.



Your Comment