RSS

Het Moeizame Muzikale Leven Van Jan Akkerman (I)

Je hebt als popartiest een streepje voor als je in een land woont waar Engels de voertaal is. Dat geldt vooral voor de inwoners van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika – maar ook voor die van Canada, Australië, Jamaica en Nieuw-Zeeland. Het zegt echter niets over de muzikale kwaliteiten. Waarom zou iemand uit bijvoorbeeld Liverpool betere muziek maken dan een artiest uit Vlissingen of Marseille? Taal is belangrijk om het te maken. En niet te vergeten de culturele en zakelijke contacten op plekken waar ‘alles’ gebeurt. In Londen is veel concurrentie, maar het is wel een poort naar de rest van de wereld. Als je alleen maar een instrument bespeelt is het een stukje makkelijker. Dan is de taalbarrière tenminste verdwenen. De Nederlandse groep Focus wist in 1970 door te breken – eerst in eigen land en vervolgens elders, zelfs Engeland en Amerika. Focus was een instrumentale groep. Jan Akkerman speelde gitaar, Thijs van Leer fluit en orgel. Met instrumentale nummers als ‘House of the King’, ‘Hocus Pocus’ en ‘Sylvia’ kon gescoord worden. Dat gebeurde wel meer in die tijd. Fleetwood Mac met ‘Albatross’ (1968), Jethro Tull met ‘Bourée’ (1970), Mike Oldfield met ‘Tubular Bells’ (1973) om er een paar te noemen. Instrumentale hits zijn van alle tijden.
Jan Akkerman verwierf erkenning in 1973. In de poll van het Britse tijdschrift Melody Maker won hij in de categorie beste gitarist. Akkerman bofte in zekere zin. Jimi Hendrix was overleden en Eric Clapton probeerde af te kicken van zijn heroïne-verslaving. Dat gaf in elk geval een beetje ruimte. Maar een mooie erkenning voor Jan. In het concurrerende blad New Musical Express werd Golden Earring dat jaar uitgeroepen tot ‘most promising name’. NME had in 1973 nog geen rubriek voor beste gitarist. In de jaren erna ging die eer in NME naar Eric Clapton (1974), Jimmy Page (Led Zeppelin, 1976) en Mick Jones (Foreigner, 1978). Thijs van Leer viel in Engeland nooit in de prijzen. Voor zijn instrument was geen categorie ingeruimd.

Van scholier tot popmuzikant

Vrijwel elke artiest droomt van erkenning, succes en rijkdom. Maar als het je overkomt heeft dat meer gevolgen dan je denkt, zeker in de popmuziek waar het snel kan gaan en ook weer gauw kan aflopen. Was Jan Akkerman (geb. 24 december 1946, Amsterdam) voorbereid? Gedeeltelijk wel. Hoewel hij van eenvoudige komaf was (zijn vader handelde op het Waterlooplein in lompen en metalen) was zijn opleiding een beetje redelijk. In een lang interview met Gideon van Aartsen (1990) vertelde Jan dat hij op de Idenburg-school zat. Een probleem was zijn gebrek aan discipline. “Ik ben iemand die zich nooit onder het gezag van een ander heeft kunnen plaatsen. Ik doe gewoon wat ik zelf denk te moeten doen”. Die houding speelde hem parten. “Ik nam mijn gitaar stiekem mee naar school. Ik zorgde dat ik de klas werd uitgeschopt en dan ging ik naar de kaartenkast, waar ik mijn gitaar had verstopt om daar stilletjes te spelen”. Op de mulo ging het mis toen hij een jaar of dertien was. “Van een ontzettende lul van een leraar kreeg ik ten onrechte een klap voor mijn harses. Ik was zo kwaad dat ik die vent een schop voor zijn zak verkocht. Ik trapte hem helemaal lens”. Naar eigen zeggen zat Jan vervolgens drie jaar op een lyceum (bêta) en ontving een beurs voor het muziek-lyceum. Ondanks zijn liefde voor de muziek voltooide hij die studie niet. “De school brandde af toen ik daar studeerde en ik ben er nooit teruggekeerd”. Akkerman speelde intussen goed genoeg gitaar om in rock & roll-bandjes te functioneren. Dat leverde hem een aardige som op, zelfs toen hij nog op het lyceum zat. Het was wél nachtwerk voor de jonge scholier. “Ik verdiende op de middelbare school meer poen dan de directeur. Ik speelde vaak ’s nachts tot vijf uur op het Thorbecke- en Rembrandtplein, in striptenten als de Moulin Rouge, de Trocadero en de Louis Seize”.

In die tijd kwam bovendien de samenwerking met drummer Pierre van der Linden tot stand. Met Johnny & his Cellar Rockers kreeg hij enige bekendheid. “Met dat groepje maakte ik ook mijn eerste plaatje, ‘Exodus’. We zaten in het circuit van [impresario] Jan Vis. De podia van boerententen bestonden uit een zooi pilskratten met een paar kartonnen platen erop. En dan ’s avonds van 8 tot 12 rammelen met twee keer een kwartiertje pauze”.

Op de hitparade

De groep van Jan en Pierre, omgedoopt tot Hunters, kwam terecht bij de Amsterdamse platenmaatschappij Inelco, eigendom van Ton en Wim Brandsteder. De platen van Inelco verschenen op het RCA-label. De jeugdige en ondernemende Casper Koelman nam de Hunters onder zijn hoede. Casper, samen met de invloedrijke diskjockey Willem van Kooten tevens uitgever van popbladen als Hitwezen, erkende de capaciteiten van Jan Akkerman. Hij liet hem zijn gitaarwerk indubben bij een oude RCA-single van Roy Orbison en kwam op het idee een Russisch wijsje op een rock-manier te bewerken. Dat werd ‘Russian Spy and I’, zowaar een top tien-hit in 1966.

Akkerman uitte geen woord van dankbaarheid voor de inzet van Koelman en Inelco. “Die song heb ik geschreven maar een of andere nono liet hij het bij Buma-Stemra op zijn naam zetten. Casper Koelman woont nu riant in Monaco. Die truc heeft hem echt niet gelukkiger gemaakt. Hij heeft veel poen in zijn zak gestopt, maar als je hem nu tegenkomt kijkt hij erbij alsof hij vreselijk vies gevreten heeft”. Het was de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat hem zoiets overkwam, stelde de gitarist in 1990. “Er zijn in de loop van de jaren ontzettend veel mensen met geld en ideeën van mij aan de haal gegaan”.

Brainbox

De Hunters hielden het niet lang vol. Ze stapten nog over naar Bovema. Hun single ‘Lost Money’ (op Imperial) haalde de top 40 echter niet. Door zijn contacten daar kreeg Jan echter werk als sessiemuzikant, onder anderen bij de Cats. Maar een groot gedeelte van die tijd werkte hij in het bedrijf van zijn vader. Helemaal soepel liep het sessiewerk van Akkerman niet. In zijn boek over de Volendammers legde Jip Golsteijn vast: “Jan probeerde de zaken zo naar zijn hand te zetten dat het John Möring en producer Klaas Leyen te gek werd en zij met de Cats over vervanging van het grillige snarenwonder gingen praten”. Cees Veerman (1943-2014) van de Cats vulde aan: “We hebben toen overwogen om Jan eruit te gooien, maar onze afkeer van zijn ongedisciplineerde gedrag haalde het niet bij onze bewondering voor zijn instrumentale gaven. Later, toen hij hier in Volendam ging beweren dat hij kant en klare nummers voor ons schreef, hebben we hem er toch uitgegooid”.
Tim Griek (1944-1988), producer bij Bovema, legde de basis voor een comeback op de plaat. “Hij bracht me in contact met Kaz Lux. Het klikte meteen tussen ons. Ik haalde Pierre van der Linden erbij, bassist André Rijnen en Brainbox was geboren. ‘Down Man’, onze eerst hit, was in een wip gemaakt”. Manager van Brainbox was John B. van Setten, die zich eerder met succes voor de Outsiders ingezet had. John stond niet bekend als een makkelijke man. Hij liet de artiesten van wie hij de zaken behartigde eerst een contract tekenen met duidelijke bepalingen. Daar had je je aan te houden.

Ondanks de goede muziek en het succes bleef Brainbox niet lang bestaan. Akkerman: “Er was allerlei gedonder. Ten eerste was er een flinke portie rivaliteit tussen de heren Kaz Lux en Jan Akkerman. Pierre van der Linden heeft bovendien een handje van stoken”. De leden van de groep konden blijkbaar niet goed met elkaar overweg. In het interview met Gideon van Aartsen gaf Jan Akkerman twee verschillende versies van zijn vertrek bij Brainbox. Jan vertelde: “Ik heb met Kaz nooit bonje gehad. Hij heeft me [wel uit Brainbox] getrapt”. Op een ander moment in het interview zei hij: “Thijs van Leer kwam me nogal vaak opzoeken. Na elk optreden van ons zei hij: ‘Dat was te gek, met jou moet ik spelen’. Na een tijdje dacht ik: ‘Waarom ook niet’ en ik jamde mee met Thijs. De manager kwam daar achter en dat was voldoende mij uit Brainbox te trappen. Ik heb geen cent aan Brainbox overgehouden”. Een paar jaar geleden hoorde ik [HK] uit de mond van Thijs van Leer diens versie van die gebeurtenis: “We kwamen in contact met de gitarist Jan Akkerman. Focus wist Jan zo ver te krijgen dat hij een keer kwam mee-jammen. Tijdens het spelen in Felix Meritis, op een grote witte Gretsch, ging de deur open en verscheen John B. van Setten, de manager van Brainbox. Die was vol wantrouwen. Zonder enige discussie kreeg Jan te horen:’Je ligt eruit’. Dat was het einde van Jan Akkerman bij Brainbox”.

Van Setten interpreteerde de samenwerking van Jan met Focus als een contractbreuk. Toen Jip Golsteijn hem in 1972 een vraag stelde over het niet uitbetalen van royalties, liet deze hem weten: “Het klopt dat Akkerman van de laatste plaat die hij met Brainbox heeft gemaakt geen royalties heeft gekregen. Als een artiest een groep verlaat terwijl hij nog onder contract staat is hij rechteloos. Dat geldt bij iedere arbeidsovereenkomst. In ieder contract dat ik sluit zit een boeteclausule voor eenzijdige verbreking, 500 piek per dag of zoiets. Jan Akkerman kwam op kantoor en zei: ‘Om te beginnen moet ik je zeggen dat ik je niet vertrouw. Dan weten we waar we aan toe zijn’. Dat vond ik toen niet zo’n vreemde benadering. Integendeel, het sprak me wel aan. Ik dacht: ‘Met die krijg ik in ieder geval geen gedonder’. Drie maanden later tekende hij, samen met Pierre van der Linden, een contract. Jan keek er niet naar en zette zo z’n handtekening”. Naar eigen zeggen legde Jan zich neer bij die gang van zaken. Van Setten was volgens hem genoeg gestraft. Eigen schuld. “De manager heeft alle Brainbox-royalties in zijn pocket geduwd. Hij was indertijd tevens pooier. Tegenwoordig loopt hij, voor zover ik weet, met bijbels langs de deuren. Ik bedoel maar. Weer zo’n jongen [als Casper Koelman] die er niet lolliger op is geworden”. John Schuursma verving Jan in Brainbox. Volgens Thijs van Leer had de ontslagen gitarist geen keus. Wat kon hij op dat moment anders dan toetreden tot Focus? Die opmerking werd in 1990 door Jan bevestigd: “Ik werd Brainbox uitgetrapt en mijn enige goede alternatief op dat moment was Focus. Ik wilde blijven doorspelen want ik had de smaak te pakken”.

www.harryknipschild.nl

(Harry Knipschild)

 

 


Your Comment