
Bluesman Willie May nam zes albums op waarbij hij mocht rekenen op de hulp van illustere figuren als James Cotton, Chris Beard en wijlen Stan Szelest (Lonnie Mack, Stevie Ray Vaughan, Delbert McClinton). En toch is zijn zevende cd ‘Alone’ pas de eerste plaat waarop ik kennis maak met de muziek van deze authentieke muzikant die het podium al deelde met Johnny Winter, Otis Clay, Buddy Guy en Lonnie Brooks. En dat is best een indrukwekkend rijtje.
‘Alone’ is in alle opzichten een soloplaat. May begeleidt zichzelf op akoestische gitaar, schreef al het materiaal zelf en stond bovendien ook nog eens in voor de productie, engineering en mastering en mixing van dit twaalf nummers tellende album. En die inspanningen hebben geleid tot een sfeervol (country)bluesalbum dat in Maison Overheul vooral ’s avonds, onder het genot van een goed glas wijn, in de cd-speler wordt gestoken.
De stem van Willie May zit zo’n beetje tussen die van Bob Seger en Kenny Rogers toen die nog deel uitmaakte van The First Edition: hees, krachtig, en toch ook vol nuances. En zijn gitaarspel is sober maar expressief. Je hoeft hier dan ook geen gitaaracrobatie te verwachten; de songs zouden er zich trouwens niet toe lenen.
Op ‘Alone’ blijft Willie May zowel instrumentaal als tekstueel binnen het bekende bluesidioom, maar laat dat de pret zeker niet drukken. Zinnen als ‘Outside it’s raining / I’m down with the blues / life hardly means nothing baby / if I have to spend it without you’ doen het bij mij nog altijd!